Neerlandais
7 QUESTIONS
Q1. Que signifie "Hij zwemt graag" ?
A) Il aime manger
B) Il tousse fort
C) Il aime nager
D) Il est à la piscine
Q2. Réponds à cette question : "Hoe oud is zijn zus ?"
A) Ze is een olifant
B) Ze hebt 10 yaar oud
C) Ze is 10 jaar oud
D) Ze hebt een ringmap
Q3. "Slapen" veut dire...
A) Manger
B) Nager
C) Allumer
D) Dormir